Dinsdag 21 oktober 2008

Aantal gefietste km: ± 60 km
Weer: zonnig en warm, 26˚ C

 

Al vroeg ga ik op pad. Gelukkig is het nog steeds mooi weer, hoewel ze wat anders hebben voorspeld.
Inmiddels ben ik al helemaal gewend aan het links fietsen en begint de fiets zelf ook te wennen. Ik fiets dezelfde route als een paar dagen geleden naar het Biwa-ko en daar aangekomen fiets ik zuidwaarts, richting de grote stad Otsu.

Na een paar kilometer zie ik het eerste bordje van de route. Deze bordjes staan om de vijf kilometer, zo weet je precies waar je bent en hoe ver je nog moet. Op de speciale fietskaart kun je ze terug vinden.
Overigens is het een erg handige kaart, ondanks dat er geen letter op staat die ik kan lezen.

In een van de buitenwijken van Otsu vind ik een fietsenmaker. Tegen beter weten in hoop ik dat hij wellicht fietstassen verkoopt.
Het is een kleine rommelige winkel. Een oude man is bezig met een fiets en komt gelijk op mij af.
“Soemiemasèn (excuseert u mij), Een-go hanasemaska (spreekt u Engels)?”. Hier had ik op geoefend.
“Ie-è, ie-è (nee, nee)”
Ik pak mijn ‘Hoe en wat in het Japans’ en zoek het woord tas.
“Kaban?”, vraag ik.
Tot mijn verbazing begrijpt hij mij. Hij wijst naar de fiets en gebaart naar de bagagedrager. Ik knik gretig. Ja, precies, die. Maar nee, hij heeft geen fietstas. Erico had mij ook wel verteld dat ze niet wist of er überhaupt wel fietstassen te koop zijn in Japan. Maar de eigenwijze Gea wil dat altijd zelf nog even checken.
Inmiddels is zijn vrouw ook in de winkel gekomen. Ze wijst naar een aantal zwartmetalen fietsmanden voor aan het stuur, maar deze passen niet op mijn fiets. Ook niet zo handig trouwens, alles aan je stuur, het zou meer ongemak dan gemak opleveren.
Dan zie ik een bidon. Ah, die heb ik ook nog nodig en ik heb tenslotte een bidonhouder. Nu heb ik wel twee flesjes in mijn stuurtas, maar een bidon maakt het leven weer een stuk eenvoudiger. Ik wil naar buiten lopen als de vrouw begint te roepen en te wijzen. Ik heb geen idee wat ze bedoelt, maar ze neemt de bidon uit mijn handen en loopt er mee naar achteren. Even later komt ze terug met de bidon. Gevuld met water.
Uitgezwaaid door twee aardige oude mensen loop ik naar buiten, steek mijn bidon in de houder en doe mijn fiets van slot. Dan zie ik dat de man en de vrouw voor het raam staan, het raam waar mijn fiets voor staat. Nieuwsgierig kijken ze naar mijn fiets. Ze lachen en knikken me bemoedigend toe. Al zwaaiend fiets ik weer verder.

 

Vertrek uit MoriyamaDit is een typisch Japans huis. Rechts een poppetje om het verkeer te wijzen op spelende kinderen. Dit is tussen Moriyama en het Biwa-koAankomst bij het Biwa-koPrachtige bloemen bij het Biwa-koSign post Biwa-ko Bicycle RouteBiwa-ko bij OtsuWandelen aan een lijntje met de juf. Dit is bij een school in OtsuMijn fietsuitrusting is vandaag uitgebreid met een bidonHé, ben ik nou in Denemarken of in Japan??Toeristische plek in OtsuOm een Shrine te betreden, moet je altijd door een torii, een toegangspoort. Dus ook als je vanaf het water komt.Als de steden of dorpen niet aan elkaar vast zitten, worden ze omringd door rijstvelden en moestuinenDorpje vlak voor de grote brug over de 'hals' van Biwa-koZicht vanaf de brug richting het noorden. Morgen zal ik die kant op gaan.Weer terug richting Moriyama

 

Woensdag 22 oktober

Aantal gefietste km: ± 75 km
Weer: fris, bewolkt, later op de dag regen, ’s nachts regen en storm

 

Zo, ik ben er klaar voor. Van Erico heb ik een grote tas geleend waar ik al m’n spullen in kan doen. Alles is ingepakt in plastic omdat het er naar uitziet dat het de komende twee dagen gaat regen.

Ik fiets weer dezelfde route naar het meer. Daar aangekomen fiets ik noordwaarts om via de brug aan de andere kant van het meer te komen.

Bij de picknickplaats op bovenstaande foto neem ik een korte pauze. Ik zit nog maar net of vier van de puinruimers komen om mijn fiets staan. Ze voelen, kloppen en bewonderen en ik hoor geluiden als ‘Ie, Aa, Oe’. Als ze de kaart zien op mijn stuurtas ontstaat er een discussie. Er worden vier verschillende plekken rond het hele meer aangewezen en als ik zo onbescheiden mag zijn: op dit moment bevinden we ons op geen van de plekken. Ik wijs de juiste plek aan en de mannen knikken bewonderend. Uit beleefdheid (?) word ik niet tegengesproken. Ze stellen me allerlei vragen maar ik begrijp er niets van. Ik knik maar wat en zeg ‘Hai (=ja)’, dat doen Japanners namelijk ook als ze iets niet begrijpen. Ik besluit een einde te maken aan de Babylonische spraakverwarring door kenbaar te maken dat ik maar weer eens opstap. “Goodbye”, zegt er een en dat vinden de anderen blijkbaar grappig, want hij wordt uitgelachen door z’n maten. Maar als ik weg fiets roepen ze allemaal ‘goodbye!’ 

Ik sta een tijdje te kijken naar een Japans balspel voor ouderen. Het lijkt een beetje op een combinatie van Hockey en Jeu de boules en ik sla ze onopgemerkt gade. Althans, dat denk ik. Als ik na vijf minuten weer de fiets op stap, word ik uitgezwaaid door ongeveer tien mensen.

 

Klaar voor vertrek. De complete kampeeruitrusting achterop.Puinruimers rond het Biwa-koNog meer puinruimersEn nóg meer puinruimers. Zou het een landelijke schoonmaakdag zijn? Geen idee.Foto van het Biwa-ko vanaf de picknickplaatsJapans balspel voor ouderenJapans balspel voor ouderenVoor vandaag is er regen voorspeld. Boven de bergen regent het al...Af en toe maak ik een foto van het kilometerbordje. Zo kan ik later makkelijker reconstrueren waar ik alle foto's heb gemaaktJapanners fietsen veel, maar vooral binnen de bebouwde kom. Om die reden verbaast het met me dat er alleen maar buíten de bebouwde kom fietspaden zijn aangelegd 327 img 1553

 

Dicht bij Takashima ligt de Shirahige Jinja Shrine, pal aan de weg. Hier breng ik een bezoekje. Ik heb in een paar dagen veel geleerd en was eerst mijn handen voor ik verder het terrein op loop. Een man knikt goedkeurend naar mij en vraagt “Americano?”.
“Hollando”, antwoord ik.
“Ah.. Orrando”, zegt de man bewonderend en ziet dan mijn fiets.
“Your bike?”
Verrast door zijn Engels bevestig ik zijn vraag.
“Do you speak English?”, vraag ik hem.
“Little”, en houdt zijn duim en wijsvinger een klein eindje van elkaar af.
Hij begint te vertellen en als ik het goed begrepen heb is hij een soort gids bij de shrine. Dan krijg ik allemaal vragen en enthousiast vertel ik hem wat ik aan het doen ben en wijs plekken aan op de kaart. En dan bega ik een vreselijke fout: ik wijs op de kaart de camping aan waar ik vannacht ga overnachten. Net, als ik mijn vinger op de plek leg, realiseer ik het me. Ik doe net of ik twijfel en ga met mijn vinger wat verder langs de route. Dan zeg ik ‘daar ergens’ en wijs de gehele noordkust aan.
“Ga je kamperen??? Alleen??? Dat is veel te gevaarlijk hier in Japan, dat moet je echt niet doen!”
Wel, mijn enige zorg op dat moment is dat hij weet waar ik ga kamperen. Op de kaart heb ik er namelijk met balpen een kring omheen gezet. En hoewel Japan dan wel heel veilig kan zijn, is dit bijna zoiets als ‘jezelf aanbieden’. De man lijkt me geenszins gevaarlijk, maar dat zegt niets natuurlijk.
“Misschien wijzig ik dan toch maar mijn plannen, als u zegt dat het zo gevaarlijk is, ik zoek wel een hotel”.
Gelijk wil de meneer mij helpen met zoeken, maar ik wijs vriendelijk zijn aanbod af. “Ik heb nog de hele middag de tijd, ik zal er vast wel een vinden”.
De man kijkt ongerust, maar biedt aan het tempelcomplex te laten zien. Ik zeg hem dat ik nog een paar foto’s wil maken en dan maar snel verder moet fietsen.
Zo gezegd, zo gedaan. Een beetje bezorgd fiets ik verder. Ik had op de kaart gezien dat er nog twee andere campings in de buurt zijn, nog vóór de gereserveerde camping. Eerst daar maar eens kijken.

Zoals ik al eerder schreef: je moet onder een torii door, wil je een shrine betreden. Torii’s staan bij alle ingangen: als je van de berg af komt, vanaf de weg en vanuit het water. Op de foto’s van deze shrine is dat duidelijk te zien.

De route is voorzien van bewegwijzering, al ontbreekt die vaak op plekken waar je ze nodig hebt. Op zich is het geen moeilijke route als je maar zorgt dat het meer aan je rechterkant blijft. Toch was ik blij dat ik mijn kompas bij me had.

Van de twee campings die op mijn kaart vermeld staan, blijkt er een niet te bestaan (althans, onvindbaar) en de ander is gesloten. Ik besluit om dan toch maar bij mijn oorspronkelijk plan te blijven.

Voordat ik bij de camping aankom, moet ik eerst door een aantal tunneltjes. Ik vind het eng, ook al zijn ze niet zo lang. Voor Japanse begrippen zelfs vrij kort. Ik had al wel gelezen over de vele (lange) tunnels in Japan, maar hier om het Biwa-ko valt het tot nu toe reuze mee.
Ik kom op de plek waar, volgens de kaart, de camping zou moeten liggen. Even voor het plaatje: de weg kronkelt tussen de rotsen door (vandaar ook de tunnels), dan verschijnt er aan de rechterkant een open stuk. Van de weg tot het water is dat ongeveer 40 tot 50 meter. Op dat open stuk staat een woonhuis, iets wat op een parkeerplaats lijkt en een schuur. Voor de rest is het strand. Zou dit echt de camping zijn? Er staat niets, geen caravan, geen tent. Maar ja, ik heb ik geen idee hoe Japanse campings er uit zien. Ik klop op de deur van het huis, maar krijg geen reactie.
Er komt een auto aanrijden. Hij neemt gas terug, stopt even en rijdt dan het terrein op. Als ik zie wie er uit komt stappen, schrik ik: dezelfde man die ik eerder vandaag heb ontmoet bij de tempel. Aan wie ik verteld heb waar ik ga kamperen.
Hij verontschuldigt zich en ik kan uit zijn verhaal opmaken dat hij zich zorgen om mij heeft gemaakt. Waarschijnlijk spreekt hij de waarheid (die bezorgdheid is wel typisch Japans), maar hoe dan ook, voor mij had hij niet hoeven komen.
Hij kijkt rond. “Camping”? vraagt hij.
“Ja, ik denk het.”
“Heb je de eigenaar al gesproken?”. En hij wijst naar het huis.
“Nog niet.” Ik vertel hem niet dat ik al op de deur had geklopt en dat ik vermoed dat er niemand thuis is.

Even iets over de Japanse huizen. Chiaki vertelde me een keer dat ze, toen ze in Nederland aankwam, stomverbaasd naar de huizen had gekeken: je kan daar namelijk zo maar door de ramen naar binnen kijken!
In Japan zitten er luiken voor de ramen. Deze zijn eigenlijk altijd dicht, behalve als er niet naar binnen gekeken kan worden. Als het schemerig wordt, aan het eind van de middag, gaan alle luiken dicht en is er ook geen enkel kiertje waardoor licht naar buiten komt. Zo kan het dus gebeuren dat een argeloze Nederlandse gelijk haar conclusie trekt: er is niemand thuis.

De man loopt naar het huis, doet de deur open en loopt zo naar binnen. Even later komt hij met een vrouw naar buiten. Ze spreekt geen woord Engels en dus fungeert de man als tolk. De vrouw had mij al verwacht, heet mij welkom en zegt dat ik mag staan waar ik wil.
Dan wijst ze naar een partytent die daar staat. Als ik mijn tent daaronder zet, heb ik een droog plekje. Er zit weliswaar een gat in het tentzeil, maar hij is groot en ik zou daar inderdaad ruimte genoeg hebben om alles droog te houden. Tenzij het gaat stromen vannacht...

Tot nu toe is het toch wel erg handig dat de man erbij is. Hij heeft zomaar de eigenaresse tevoorschijn getoverd en ik weet nu dat ik inderdaad op de camping ben, waar de toiletten zicht bevinden (in het schuurtje) en waar ik kan koken (op een aanrechtje onder een afdak).
Ik bedank de man met de nodige buigingen en een ‘arrigato gozaismachita' in de hoop dat hij nu weg zal gaan. Maar nee hoor, hij blijft rustig staan kijken hoe ik mijn fiets aflaad.
Als ik aan de tent toe ben, wil hij me per se helpen. Nu moet je een tent nooit met z’n tweeën opzetten en vooral geen kleine tent. Maar meneer stáát er op.
Ik laat hem z’n gang maar gaan en na de nodige onhandigheden staat er even later een prachtig tentje onder de partytent. De man knikt goedkeurend, maar zijn gezicht spreekt boekdelen: ‘en dit doe je voor je lol??’
En dan, voor mij geheel onverwachts, komen er toch de verlossende woorden: “Go home, wife, diner”.
Huh... wacht eens even. Hij gaat dus nu naar huis, waar zijn vrouw blijkbaar op hem wacht, om te eten. Hij heeft zomaar een onbekende buitenlandse geholpen omdat hij zich zorgen maakte en wilde niet eerder weg voordat hij zeker wist dat alles goed was. Ik ben bijna geneigd om mijn excuses te maken voor mijn misplaatste achterdocht. Sorry meneer, ik had niet door dat u mij alleen maar wilde helpen en ik was even vergeten dat ik in Japan ben.
In plaats van dat spreek ik veelvuldig mijn dank uit met de nodige knipbewegingen. Dan rijdt hij weg.

Ik heb vanmiddag een bak met sushi’s gehaald bij de supermarkt. Dat is mijn ‘diner’ voor vanavond. Als ik aan het eten ben, komt de campingeigenaresse langs samen met een vrouw van ongeveer mijn leeftijd. Ik neem aan dat het haar dochter is. Ik denk dat ze willen weten of alles naar wens is. Ze moeten lachen om mijn bak met sushi. “Oisi!”, zeg ik. Lekker!

Omdat het regent en donker is, duik ik gelijk maar met een boek onder de wol. Inmiddels is het ook steeds harder gaan waaien. In de loop van de avond bellen zowel Erico als Chiaki mij om te vragen of alles goed is. Ja hoor prima. Al die mensen die zich zorgen om je maken en zich willen laten overtuigen dat het echt goed gaat. Wat zou er dan nog mis kunnen gaan?

 

De Shirahige Jinja Shrine bij TakashimaDe Shirahige Jinja Shrine bij TakashimaDe Shirahige Jinja Shrine bij TakashimaDe Shirahige Jinja Shrine bij TakashimaDe Shirahige Jinja Shrine bij TakashimaDe Shirahige Jinja Shrine bij Takashima   Torii van de Shirahige Jinja Shrine bij Takashima   Bewegwijzering van de fietsrouteEnge fietsstrookNog engere "fietsstrook"Weer een shrine340 img 1576341 img 1577Ja hoor, na dagen lang prachtig weer  regent het nu toch echtTunnel bij Biwa-koKampeerplek met mijn ‘redder in nood’

 

Donderdag 23 oktober 2008

Aantal gefietste km: ± 120 km
Weer: regen, koud

 

 Wat een weer vannacht. De hele nacht heeft het geregend en ook behoorlijk ge­waaid. Ik heb een paar keer ’s nacht moeten ‘hozen’, oftewel het dak van de par­ty­tent van een diepe waterplas moeten verslossen. Gelukkig is alles wel rechtop blij­ven staan.

Het waait nog steeds erg hard. Het eerste stuk op de fiets zal ik de wind mee heb­ben, maar de overige 80 kilometers de wind tegen.
Als ik alles ingepakt heb, komen de campingeigenaresse en haar dochter naar bui­ten. Ze gebaren naar de lucht en ik knik bevestigend. Ik geloof dat ze medelijden met mij hebben.
Als ik weg ga, krijg ik twee blikjes drinken van ze mee.

Aan de noordkant van het meer ligt een schiereiland. Hier loopt de alternatieve fiets­route omheen. Als ik die ga fietsen, betekent dat tien kilometer extra. Ik be­sluit het niet te doen en het schiereiland ‘af te snijden’ volgens de officiële route. De beschrijving op de kaart geeft aan dat het stuk ook heel zwaar is en met dit weer heb ik daar eigenlijk niet zo´n trek in.

Ik ben nog niet zo lang onderweg als ik weer bij een tunnel kom. Deze blijkt een ki­lo­meter lang te zijn. Ik slik, maar rij dapper naar binnen. Na zo’n tien meter krijg ik het opeens Spaans benauwd. Ik stop en kijk achterom. Het is levensgevaarlijk om te keren, de stoep waar ik op fiets is erg smal en als ik mijn fiets zou draaien, raak ik de auto’s die voorbij zoeven. Langzaam loop ik met de fiets achteruit. Als ik uit de tunnel ben, krab ik eens even achter m’n oren. Wat te doen? Verderop is een af­slag. Op de kaart zie ik dat die weg weer bij het meer uit komt en dat ik een eind­je verder de route weer kan oppakken. Gelukkig, opgelucht fiets ik verder.

Ik besluit even een korte pauze te nemen. Het is nu net droog, maar dat blijft het waar­schijnlijk niet lang. Ik haal de blikjes drinken tevoorschijn die ik vanmorgen van de campingeigenaresse had gekregen. Geen idee wat het is, zal wel frisdrank zijn. Ik maak de eerste open en neem een grote slok. Wat heb ik een dorst! Ik denk dat het zo’n twee seconden duurt voordat ik proef wat er in mijn mond zit. Vol af­schuw spuug ik het uit, het blijkt koude koffie met suiker en melk te zijn. Dit is vies, heel erg vies! Nou ben ik dol op koffie, maar wel warm graag en ook helemaal zwart. Als ik een beetje bijgekomen ben van de afschuw, probeer ik het tweede blik­je. Voorzichtig maak ik het open en ruik eerst. Hm.. ik ruik niets. Dan neem ik een piepklein slokje, en nog een en nog een. Dit is lekker! Ook nu weet ik niet wat het is, maar het smaakt prima.
Het begint opnieuw te regenen en ik fiets weer verder.

Na een tijdje loopt de weg dood. Hoe kan dan nou? Een vrouw van een jaar of 40 ziet mij vertwijfeld rondkijken en ik vraag of ze Engels spreekt. Ze slaat haar hand voor de mond en begint te giechelen. Dan begint ze in rap Japans tegen me te klet­sen, ik kijk haar aan en haal mijn schouders op 'sumiemasèn (sorry)', zeg ik. 'Americano?' vraagt ze. 'Ollando', antwoord ik. Ze kijkt op mijn kaart en ik wijs met mijn vinger de omtrek van het meer aan. Ontzet kijkt ze naar mijn fiets en dan naar mij.
Dan wijst ze naar de weg terug en aangezien dat de enige kant is waar ik op kan gaan, fiets ik weer terug. Bij de eerste beste afslag ga ik naar rechts en na een tijd­je zie ik het meer weer aan mijn rechterkant.

Het is ongeveer een uur later als ik iemand hoor roepen: 'Orrando-san, Orrando-san'. Ik kijk verbaasd om me heen en zie dezelfde vrouw van zojuist in de auto mij in­halen. Ze stopt en geeft me een blikje frisdrank. Ik bedank haar, maar ze rijdt gelijk weer weg. Stomverbaasd laat ze me achter.

Gelukkig zijn er erg veel ‘picknickplekken’, waar je droog kan pauzeren. Het is zo koud en ik ben zo nat, dat ik een fleecevest aantrek en een fleecedeken om m’n benen wikkel. Het is bijna twaalf uur, wellicht wat vroeg voor een lunch, maar ik heb trek in mijn rijstbolletjes.
Het is een mooi, stil plekje. Ondanks de kou geniet ik van het uitzicht, de rust en de heerlijke rijstbolletjes. En dan, geheel onverwacht, klinkt er muziek. Het is twaalf uur: uit een luidspreker klinkt er een instrumentale (weliswaar elektronische) versie van Edelweiss.
In gedachten schud ik mijn hoofd. Bijzondere jongens, die Japanners

Als ik voor het donker thuis wil zijn, heb ik geen tijd meer om het kasteel te be­zich­ti­gen. Ik loop wel even naar de kassa om informatie in te winnen over de ope­nings­tij­den en de entree. Wellicht kan ik er later met Erico nog een keer heen.
Het lijkt me wel erg mooi en bijzonder om door een Japans kasteel te lopen.

 

Een nacht met storm en regen, maar ik heb het overleefdDe kust bij de campingDe kust bij de campingDorp waar ik even een korte pauze neemPicknickplek met dakVissers in het water bij HikoneTenshy, het kasteel in de stad HikoneTenshy, het kasteel in de stad HikoneEen klokkenspel in het park, dicht bij het kasteelDe muur om het kasteelHikoneVogelverschrikkerBijna weer terug in Moriyama

Ik ben toe aan een kleine pauze. Ik pauzeer relatief veel, maar dat doe ik om mijn rug, knieën en schouders een beetje rust te gunnen.
Het blikje drinken dat ik van de mevrouw in de auto heb gekregen blijkt een sma­ke­loos frisdrankje te zijn. Maar dat geeft niet, zolang het maar geen koude koffie is.
Net als in de lunchpauze, heb ik weer een bankje met afdak tot mijn beschikking. Ik loop wat heen en weer, dat is goed voor mijn rug die ik toch wel aardig begin te voelen. En ook, net als in de lunchpauze, hoor ik plotseling muziek. Dit keer is het een instrumentale (ook weer elektronische) versie van ‘Knaapje zag een roosje staan’.
Ik besluit, zolang ik hier in Japan ben, nergens meer van op te kijken.

Het schemert al als ik in Moriyama aankom. Ik weet de weg naar Erico’s huis, maar dat is een omweg en tegen de tijd dat ik bij de rijstvelden aankom, is het pik­ke­don­ker. Daar durf en kan ik dan niet meer doorheen.
Ik heb de kopie uit het stratenboek nog en zie dat ik eerst een tijd langs een rivier moet en vervolgens langs het spoor. Als het goed is, kom ik dan vanzelf bij het trein­station bij Erico’s huis.
Maar oh, wat is het donker! Er is amper straatverlichting (waar is al die neon­ver­lich­ting plotseling gebleven??) en door de regen kan ik niet goed door mijn bril kijken.
Ben ik bijna thuis en dan wordt het toch nog erg spannend! Om niet te zeggen ‘le­vens­gevaarlijk’: langs de straten lopen brede goten waar je zo met je fiets in te­recht kan komen. Af en toe stap ik af en loop een stuk. Bij elke stap ben ik een beetje minder blij. En als ik dan vervolgens weer ergens in de middle of nowhere te­recht kom, in plaats van bij het spoor dat de weg zou kruisen, ben ik toch wel be­zorgd. Ik kan natuurlijk Erico bellen, maar wat schiet ik daar mee op? Ze is nog op haar werk, of onderweg naar huis en ik kan haar niet vertellen waar ik zit omdat ik daar geen flauw idee van heb. Nee, ze zou alleen maar ongerust worden. Ik fiets en loop weer terug tot ik een weg met nummer 477 tegen kom. Ah… die staat op de kaart. Ik wissel het fietsen en lopen af, maar na een uur ben ik redelijk moedeloos. Ik had toch al lang in het centrum moeten zijn? Ik begrijp er niets meer van.
Ik stap een winkeltje binnen, maar ze spreken er geen woord Engels. Ik laat hun de plattegrond zien. Misschien kunnen ze me wijzen waar ik op dit moment ben. De winkelbediende bestudeert de kaart nauwkeurig, draait hem af en toe, maar geeft hem schouderophalend terug.
Ik loop weer verder. Het is een drukke weg zonder fietspad of –strook en met goten langs de kant. Af en toe stap ik een winkel of bedrijf binnen. Tevergeefs. Ook als ik ‘Moriyama station’ zeg, haalt men de schouders op of begint overal en nergens naar toe te wijzen.
Ik heb zo’n beetje de moed opgegeven als ik een autobedrijf binnenloop. Een nette jongeman staat achter de balie en spreekt warempel een aardig woordje Engels. Hij vertelt me dat ik een heel eind bij Moriyama station vandaan ben en dat de plek waar we ons nu begeven niet op de kaart staat. Niet op de kaart??
“Ik zal een paar nieuwe kaartjes voor je printen van Google Maps”, biedt de jongeman aan. Ik knik dankbaar en opgelucht. Redding is nabij, nu ben ik waar­schijn­lijk zo thuis.
Met een rood potlood kleurt de man de weg in die ik moet volgen. Bij elke kruising vertelt hij wat ik daar kan vinden: een benzinestation, een Seven-Eleven-Store, een res­taurant. Alles wordt benoemd en opgeschreven. Geweldig, verdwalen is nu bijna onmogelijk.
De man wijst naar de weg waar we ons nu bevinden. “De eerste kruising waar je moet afslaan is over ongeveer tien kilometer”.
Pardon??? Versta ik het goed? Dat betekent dat ik nog minsten 20 kilometer moet fietsen als ik de kaart goed interpreteer. Wat een drama…
Wel, er zit niets anders op dan maar weer op de fiets te stappen en ik bedank de jonge­man voor zijn enorme hulp. Hij is wel mijn held voor vandaag!

Eindelijk na vele, vele kilometers hoor ik opeens de trein heel dichtbij. Ik denk te we­ten waar ik ben, namelijk dicht bij het station van Moriyama. Toch moet ik nog even zoeken en de straten komen me absoluut niet bekend voor. Ik vraag aan voor­bijgangers het station en even later zie ik inderdaad het station. Maar als ik dichterbij kom, zakt me de moed in schoenen. Dit is níet het station van Moriyama. Op het zelfde moment gaat de telefoon. Erico. Ze is onderweg naar huis en vraagt waar ik ben. Ik vertel haar dat ik bij een station ben en dat ik nu aan het uitzoeken ben wélk station. Dan zie ik ‘Ritto’. Jeetje, ben ik het station van Moriyama zomaar voorbij gefietst! Nu moet ik weer vijf kilometer terug.
Nou ja, ik weet nu in ieder geval precies waar ik ben en hoe ik thuis moet komen (gewoon het spoor volgen).

Een uurtje later zit ik uitgeput bij Erico op de bank. Pff… wat een tocht! Maar, even de laatste uurtjes buiten beschouwing gelaten, heb ik ontzettend genoten!