En je loopt door de paleizen met uw hoofd vol romantiek
Maar uit krotten en ruïnes, klinkt er klaaglijke muziek
Deelt uw brood met lotgenoten, zoveel zwervers grauw van vel
Langs de gloeiend hete wegen, steden vol kommer en kwel
Langs de gloeiend hete wegen, steden vol kommer en kwel
Uit: Onderweg - Willem Vermandere
Ik ben bijna in Trondheim, of Nidaros, zoals het vroeger genoemd werd. De eindbestemming van de pelgrimstocht. Het is nog te vroeg om eindconclusies te trekken, maar er is één woord wat elke dag tevoorschijn komt: gastvrijheid. Toen ik gisteren rond elven een foto maakte van een pelgrimsherberg, werd ik door de eigenaars uitgenodigd voor koffie en een ijsje. Vervolgens kwam er bijna ongemerkt een lunch achteraan. En omdat zij ook sleutelbewaarders waren van de kerk en het museumwinkeltje, kreeg ik in beide een privérondleiding.
Langs de hele route zijn, behalve pelgrimsaccommodaties, ook privé-initiatieven om de pelgrim van eten en drinken te voorzien. Maar buiten het hele pelgrimsgebeuren, word ik ook dikwijls onderweg aangesproken. “Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Vergeet daar niet langs te fietsen!”. Op een camping kon ik aanschuiven voor het avondeten bij een Noors/Belgisch echtpaar en van een mede(wandel)pelgrim kreeg ik een halve meloen.
Noorwegen voelt als een warm bad. Geen moment heb ik me hier eenzaam gevoeld.
“Als je daar aankomt, moet je dat weggetje in. Onthoud dat je aan deze kant van de rivier moet blijven”. Ach, ik wist wel dat ik daar in moest, maar dat maakt niet uit. En als er vervolgens een uur later een auto stopt bij het betreffende weggetje, het raam open gaat en een bekend gezicht zegt “kijk, dít weggetje!”, dan vind ik de zorgzaamheid ontroerend.
Ik reis nu al zoveel jaren met de fiets. En altijd zijn er die bijzondere ontmoetingen die de wereld een beetje mooier maken en de reis een gouden randje geven. Want als je weken, maanden of zelfs jaren later terugkijkt op een reis dan zijn het ongemak en het slechte weer alweer vergeten, maar de schoonheid van het land, maar vooral de bijzondere ontmoetingen zijn hetgeen je altijd bijblijft. En hoe langzamer je reist, hoe groter de kans op dit soort fijne herinneringen.
En dat gezegd hebbende zal ik gelijk iets opbiechten: het Olavspad is toch echt nóg mooier als je wandelt. Het is dat ik het op mijn heupen krijg na een dag wandelen, maar anders zou ik het wát graag een keer in z’n geheel willen lopen. (Huh, op de heupen? Ja. Alleen geen idee wat. Na vele onderzoeken, nooit iets gevonden, alles zo’n beetje uitgesloten, maar toch na een dag wandelen zo’n pijn dat ik liever krom of ondersteboven of achterstevoren wil lopen. Als een dartel veulen lukt dan niet meer. Gelukkig heb ik op de fiets nergens last van).
Als je in de auto zit, weet je niet half wat je mist. Echt een heleboel, maar gelukkig weet je dat niet en zo kan een autorit nog heel aardig zijn. Zelf vind ik het uiterst frustrerend dat alles zo snel voorbij gaat en je vooral verkeersdeelnemer bent. En je zit ook nog eens achter glas. Je ruikt en hoort niets.
Hoe anders is dat op de fiets. Al je zintuigen doen mee en je komt op plekken waar geen auto kan komen. Ook ga je langzaam genoeg om rustig om je heen te kunnen kijken en te stoppen wanneer je wil.
En toch, en toch… Ik heb tijdens deze hele tocht regelmatig delen van de wandelroute gefietst die eigenlijk niet geschikt waren om te fietsen. Dan moest ik weer terug om een andere weg te kiezen. Wetend dat juist dat stukje wandelroute verderop nog veel mooier is dan de fietsroute. Wandelend een land ontdekken is het ultieme genieten. En fietsend bijna.
Dit is uiteraard geen goede reclame-slogan om straks een fietsroutegids te verkopen. Dus niet doorvertellen…
Hoe dan ook. De fietsroute is nog steeds ongelooflijk mooi. En hoewel ik het mooiste en indrukwekkendste gedeelte achter de rug heb, de spectaculaire hoogvlakte Dovrefjell, zijn de laatste 150 kilometers niet minder boeiend. De fietsroute wijkt soms af van de wandelroute, maar ook de fietsroute is op die plekken schitterend. En dat mis je dan weer als wandelaar…