Zie je die blauwe palletjes? Ze staan nu goed, maar toen ik voor het eerst water tapte uit deze kraan op de camping, stonden ze een kwartslag gedraaid. Aanvankelijk dacht ik dat er geen water uitkwam, tot ik iemand keihard hoorde schreeuwen. Een hele boze man. Ik had net niet alleen zijn bloemetjes water gegeven, maar ook hemzelf. Die oranje Gardena-tuinslang leidde naar zijn stacaravan met bloemenperkje.
Het was gelukkig mooi weer…
De buurman op de camping was not amused, maar ik vond dat het niet mijn schuld was dat hij daar druipend stond. “Sorry, ik versta geen Noors”, zei ik in het Engels. De woorden die hij uitkraamde, had ik namelijk nog niet geleerd en zullen ook vast geen prioriteit hebben, al is het ook wel weer handig om te weten waarvoor je uitgemaakt wordt.
Ik zei heel rustig dat hij zelf had kunnen voorkomen dat hij natgesproeid werd, maar dat was tegen dovemansoren. Tot zijn vrouw naar buiten kwam en het tafereel aanzag. Toen ze door had wat er gebeurd was, begon ze te schuddebuiken van het lachen. Ze kwam niet meer bij. Het Noors dat zij sprak, meende ik wel te verstaan. Iets in de strekking van ‘heb je ze vergeten terug te zetten?’ Dat maakte de man nog bozer en liep kwaad zijn caravan binnen.
Jaja, het leven op de camping is zo saai nog niet.
Ik heb deze hele zomer nog maar twee keer eerder op een camping gestaan, dat was toen Remy hier was. Ik héb wel veel gekampeerd, maar dat was altijd wildkamperen. Als het even kan ontwijk ik campings. Nergens slaap ik zo slecht als op een camping. Schreeuwende kinderen, langs je tent lopende toiletgangers, tot diep in de nacht kletsende campinggasten of snurkende buren. Altijd is er wel iets wat mij wakker houdt of wakker maakt. En behalve slechte nachten, is er nog een heleboel ander ongemak: dat de toiletgebouwen altijd heel ver weg van de tentenveldjes staan, en juist dicht bij hen die het ’s nachts op hun eigen toilet kunnen doen in de sleurhut.
En dan de douches waar je acrobatische toeren moet uithalen om je droge kleding niet op de kletsnatte grond te laten vallen. En dat lukt dan net niet met de enige schone onderbroek die je nog hebt.
Jaja, het valt allemaal niet mee, dat campingleven!
24 uur later:
Ik had mijn tent opgezet op een prachtig wildkampeerplekje aan een meertje en had net gezwommen want het was erg warm die dag. Ik kwam het water uit en zag tot mijn grote ontzetting een camper aankomen. En stilstaan. Er kwam een ouder echtpaar uit tevoorschijn. Hoe komen die hier verzeild??, dacht ik. Nou ja, waarschijnlijk op dezelfde manier als ik: er per ongeluk tegenaan lopen.
Gelukkig ben in inmiddels erg geoefend in discreet afdrogen en aankleden, maar ik had er sterk het land aan dat de privacy en de rust me werden ontnomen.
“Ich spreche kein Norwegisch”, zei de man tegen mij.
“Og jeg snakker ikke Tysk”, en ik spreek geen Duits, zei ik in het Noors.
Flauw, maar ik ergerde mij enerzijds dat hij Duits sprak (waarom gaan Duitse toeristen er toch altijd maar vanuit dat de hele wereld Duits spreekt?) en anderzijds vond ik het wel vermakelijk dat hij mij voor een Noorse hield.
Hij keek mij verward aan. “But I do speak English”, zei ik snel. Ik had geen zin in Duits. Ik had überhaupt geen zin in gezelschap.
Hoe jaag ik ze weg, dacht ik… Zal ik naakt gaan zwemmen? Nee, dat zal vast niet voldoende afschrikken. Of zal ik ze vertellen dat ik hier al een paar dagen sta en de plek waar ze nu net hun picknicktafel neerzetten, heb gebruikt als toilet. Wel vier hele dagen lang! Of dat ik elke ochtend om vier uur een soort ritueel uitoefen, gepaard gaande met keiharde oergeluiden die lekker over het meer galmen. Nee, stel dat ze zeggen ’we doen mee!’
Ik verzon nog meer dingen, maar besloot uiteindelijk me toch maar in mijn lot te schikken.
Even later vertrok de vrouw met haar Nordic Walkingstokken voor een wandeling (dat is mijn interpretatie, misschien ging ze heel andere dingen doen). De man had inmiddels zijn zwembroek aangetrokken en ging zwemmen, maar niet voordat hij mij deelgenoot had gemaakt van het feit dat ze vandaag pech hadden gehad met de camper en dat hun watertank kapot was gegaan.
“Gelukkig water genoeg hier”, stelde ik de man gerust. “Je kan hiervan drinken”. Nee, dat deden ze liever niet. Ik had hem kunnen vertellen dat ik twee dagen eerder ook op dit plekje had gestaan, hier van gedronken had en nog steeds leefde, maar vroeg me af of dat zin had. Hij leek stellig.
Even later kwam de vrouw terug en ze besloten samen gezellig in de ligstoel bij mij aan het water te gaan zitten. Nou ja, geef ze eens ongelijk. Lekker in het avondzonnetje.
“Ze zei dat je dit water kan drinken”, zei de man tegen de vrouw.
“Echt? Nou, dat zou ik niet doen!”
“Ze zal het wel weten”.
“Nou, gelukkig hebben wij nog genoeg water. Heb je haar trouwens gevraagd hoe ver ze gefietst heeft? En waar ze naar toe gaat?”
“Nee, vraag jij dat maar”.
“Nu niet, ze is aan het koken”.
Ik heb nog nooit zo openlijk een gesprek afgeluisterd. Gelukkig bleven me de vragen bespaard.
Afijn, ik moest die nacht wel een eindje lopen om te plassen, terwijl zij, in die sleurhut…
Behalve gekampeerd, heb ik ook nog een boel gefietst.
Een paar dagen geleden fietste ik over een weg waar men bezig was met wegwerkzaamheden. Ik kwam aan bij een wegwerker die auto’s staande hield. Zodra hij mij zag, wenkte hij. “Kom hier maar even aan de kant staan. Als straks alle auto’s mogen rijden, dan sluit je achteraan. De auto’s gaan harder, dus je hebt de hele weg dan voor je alleen. De tegenliggers gaan pas rijden als de laatste, jij dus, gepasseerd is. Maar je moet wel zo hard als je kan, want anders moeten ze zo lang wachten. Lukt dat?“.
No pressure… dacht ik.
“Hoe lang is het stuk?” Vroeg ik.
“Ongeveer anderhalve kilometer”.
“Omhoog of naar beneden?”
“Allebei, maar het is niet steil“.
“Ik doe m’n best”, beloofde ik.
De man sprak in zijn Walkie Talkie dat de rij zou worden afgesloten met een ‘dame op een fiets’.
Op zijn teken begonnen de auto’s te rijden en ik sloot achteraan. Eerst fietste ik naar beneden, dat ging lekker snel, ik kon zelfs de auto’s bijhouden. Maar niet veel later had ik inderdaad de weg voor me alleen. Ik ploeterde omhoog. Ik had net in een meertje mijn waterzak en bidons bijgevuld omdat ik niet wist waar ik die avond zou kamperen en dus ook niet of daar water was. 3 liter extra. Ik keek naar mijn kilometerteller: 2 kilometer. Dat is geen anderhalf, meneer. Ik klom verder en eindelijk, na drieënhalve kilometer, kwam ik aan bij de volgende wegwerker. Achter hem stond een enorme file van maar liefst twee auto’s! Geen drukke weg blijkbaar… De man riep mij toe “Du er rask!”, Je bent snel! En een automobilist deed het raampje open en applaudisseerde. Tjonge, ik voelde mij een koploper van een peloton.
Achteraf had ik nog sneller kunnen zijn, want ik bleek het water voor niets te hebben meegesleept.
Wat betreft mijn eigen ‘werkzaamheden aan de weg’...
Vorig jaar heb ik van Oslo naar Selånger gefietst met de bedoeling hier ook een gids van uit te brengen. Selånger ligt bij de stad Sundsvall aan de Zweedse oostkust en is het startpunt van het St. Olavspad naar Trondheim (in juli gefietst). Dat er nog geen gids is, heeft er o.a. mee te maken dat ik niet tevreden was over de eerste pakweg 100 km tot aan de Zweeds-Noorse grens. En omdat ik toch die kant op moest, heb ik gelijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om de route aan te passen.
Oslo uitfietsen zinde me ten eerste al niet, maar is - met dank aan Øyvind Wold met wie ik een dagje door Oslo heb gefietst - nu naar volle tevredenheid aangepast. Maar er was nog een stuk. Dat ging over een veel te drukke weg.
Gelukkig heb ik hier een schitterende vervanging voor gevonden en heb een stuk van 65 kilometer vervangen door een stuk van 60 kilometer. Behalve dat hij veel rustiger is, is de route ook nog eens veel mooier en heeft minder hoogtemeters!
Nu ik dit schrijf (woensdag 24 augustus), sta ik weer op een camping. Een spookcamping. Het zijn allemaal vaste staanplaatsen, maar het lijkt uitgestorven. Er is ook geen receptie. Toen ik aankwam duurde het even voordat ik iemand zag en aansprak. “Nee, er is geen receptie, de eigenaar werkt nu op het land. Maar zet je tent maar ergens neer hoor. De eigenaar komt straks wel langs. Heb je wel cash bij je?”
“Jawel, hoeveel is het?”
“Hm… Een caravan kost NOK 350 (± € 35,-), maar voor een tentje zal het wel wat goedkoper zijn”.
Dat mag ik hopen… Er blijkt geen douche te zijn, er is slechts een outdoortoilet en geen wifi. Ik zet toch mijn tent maar neer. Helemaal achteraan, bij het zwemstrandje en naast een gebouwtje waar vissenkoppen hangen.
Waarschijnlijk heb ik nooit zoveel rust en privacy gehad op een camping.
Øyvind heeft mij prachtig stuk van Oslo laten zien: het dichtstbevolkte gebied te midden van industrie. En voordat je gaat protesten: niets dan groen en stilte...:
De 60 vernieuwde kilometers: