Dag 12, dinsdag 21 juli, Vimmerby – Gummarp
Afstand: 72,5 km
Weer: zonnig, af en toe een buitje
Route:
Eigen route
Vimmerby, Ödestorp, Djurdala, Södra Vi, Skäfshult, Halsebo, Solbacka, Rumskulla, Ingatorp, Hjältevad, Bellö, Förenäs, Gummarp
1 x lekke band
Voor de tweede keer deze morgen vertrek ik. Nu echt. Hoop ik.
Mijn eerste poging werd na zo’n twintig meter gestaakt nadat ik weer met een lege band zat. Ik was nog maar net bij mijn plekje weggefietst of ‘pfff...’. Band leeg. Mijn Duitse buurman bood aan om samen even met de auto naar Vimmerby te rijden om een nieuwe binnenband te halen. Had ik gister maar naar hem geluisterd... Ik koop er twee, nadat ik het idee had verworpen om er maar gelijk een stuk of tien in te slaan. Ik was ook even vergeten dat ik de lekke band met fiets en al wilde weggooien.
Hoe dan ook, uitgezwaaid door mijn ontzettend aardige en behulpzame Duitse vrienden, stap ik weer op de fiets. Onzeker en mijn fiets uiterst wantrouwend.
En ik kan je verzekeren: dat fietst niet lekker.
Ik ben nog geen tien kilometer verder of mijn angst wordt bewaarheid. Nee, dit keer geen lekke band, maar de oude kwaal die weer terug komt: het achterspatbord rust weer op mijn band, zodat het voelt alsof er iemand achter aan de fiets trekt. Ik stap van de fiets en neem een drastisch besluit: ik ga naar huis.
Ik weet niet hoe, maar ik weet wel dat ik dan linksaf moet, richting het westen. Met alle kracht probeer ik de bagagedrager, met daar aan vast het spatbord, weer omhoog te trekken. Ik stap weer op de fiets en sla letterlijk linksaf.
Na een paar kilometer moet ik weer mijn bagagedrager omhoog trekken. Het helpt voor een tijdje, maar om de paar kilometer moet ik stoppen voor dezelfde procedure. Ik denk dat het nog even duurt, voor ik in Nederland ben. Vandaag vast niet.
Nu is het zo dat je in Zweden niet met de fiets in de trein mag, op een uitzondering na. Die uitzondering rijdt maar op bepaalde trajecten en ook niet elke dag. Wil ik naar huis, dan moet ik toch eerst in Denemarken zien te komen.
Op naar Denemarken dan maar.
Rond drieën vind ik het mooi geweest voor vandaag. Ik heb weliswaar geen lekke band meer gehad, maar heb wel last van pijnlijke armen die om de zoveel tijd weer aan de bagagedrager moesten trekken. Ik vind een mooie kleine camping in Gummarp aan het Mycklaflon (meer).
Onder het eten koken in het kleine keukentje kom ik in gesprek met twee Nederlandse vrouwen van ongeveer mijn leeftijd. Van een van de twee krijg ik een dik pocketboek dat ze anders op de camping had willen achterlaten. Zij is hier met haar vriend en raadt me aan de ‘canyon’ te bezoeken. Deze ligt zo’n tien kilometer boven Hult.
De andere vrouw is hier met man en vijf kinderen. Van haar krijg ik een boekje over Astrid Lindgren te leen. Ik beloof het haar morgen voor vertrek weer terug te geven.
Dag 13, woensdag 22 juli, Gummar
“Rustdag”
Weer: zon, heet. Later op de dag wat regen
Ik besluit weer een rustdag te nemen. Ik ben nog zo moe en heb gewoon even geen zin meer om te klimmen.
Of het nu door al dat klimmen komt, of door alle tegenslag, òf door beide, ik weet het niet, maar ik heb me nog nooit zo moe gevoeld tijdens een fietsvakantie.
Het is overigens wel een fijne plek om langer te staan. Het is een kleine camping aan een meer (ik ben hier in Zweden nog maar op één camping geweest die níet aan een meer lag...).
Als je in je eentje reist, kun je profiteren van je anonimiteit. Je hoeft je niet anders voor te doen dan je bent, want je hebt niets te verliezen. Niemand kent je en niemand zal je veroordelen (of wel, maar dat doet er niet toe). Je vertoont ander gedrag dan thuis of op op je werk, alles is gewoon wat makkelijker. Misschien ben je dan wel gewoon jezelf. Ik merk dat ik tijdens fietsvakanies anders ben. Zo ben ik bijvoorbeeld veel socialer. Ik heb veel sneller en makkelijker contact met vreemden dan in mijn ‘gewone’ leven. En ik doe ik dingen die ik normaal nooit zou doen: een dagje luieren op het strand zoals vandaag. Normaal peins ik er niet over om in de hitte op het zand te gaan liggen, je te laten braden door de zon. Ik word dan zo duf en apatisch. Een boek lezen of een gesprek voeren kost veel te veel energie. Kortom, normaal gesproken ben ik na vijf minuten al weer klaar met luieren.
Maar nu is alles anders. Vandaag wil ik gewoon lekker duf zijn, niets doen, nergens over nadenken.
Ik lig op het strand en ga af en toe het water in om af te koelen. Verder doe ik niets. Ik heb wel een boek meegenomen, maar dat blijft dicht. In de middag haal ik een ijsje in de kantine (doe ik ook alleen maar tijdens fietsvakanties) en praat met de campingeigenaresse over mijn verblijf in Zweden en alle bijkomende problemen.
“Je kan best met de fiets in de trein hoor!”
“Huh??”
“Nou ja, als de conducteur niet kijkt, duw je hem gewoon naar binnen. Eenmaal onderweg kan ie moeilijk stoppen om je er uit te zetten. Het dichtstbijzijnde station is in Eksjö. Vandaar moet je naar Nässjö. In Nässjö komen veel sporen samen vanuit het hele land. Vanuit daar gaat ook wel een trein waarin je de fiets wel mee mag nemen”.
“Maar uh... hoe is het boetebeleid in Zweden? Als je in Nederland geen kaartje of een ongeldig kaartje hebt, moet je €35,- betalen. Daar kom je met geen enkele smoes onder uit.”
“Ach, je bent dan gewoon een onnozele buitenlander, die niet weet dat je de fiets niet mee kan nemen”, glimlacht de vrouw.
Hm.. klinkt wel aantrekkelijk. Ik ga in ieder geval morgen naar Eksjö, dat ligt zo’n twintig kilometer hier vandaan richting het westen. Ik ga dan via de ‘canyon’, een ommetje van nog eens twintig kilometer. Moet kunnen.
Ik eet mijn warme maaltijd in de recreatieruimte omdat het nu regent. Aan de grote eetkamertafel zitten vier Nederlandse kinderen een spel te spelen. Drie van de vier hebben een sterk Twents accent, waar ik normaal gesproken niet zo gecharmeerd van ben. Nu vind ik het wel gezellig klinken, het klinkt naar ‘thuis’. Ik heb me neergelegd bij mijn beslissing naar huis te gaan. En nu wil ik eigenlijk ook zo snel mogelijk. Als ik morgen in Nässjö een trein kan nemen naar Kopenhagen, of misschien overmorgen, dan neem ik vervolgens daar de nachttrein naar Utrecht en wellicht ben ik dan over drie dagen al thuis!
Als ik het eten op heb, loop ik even naar de vrouw met vijf kinderen die me een boek over Astrid Lindgren had geleend. Omdat ik hier langer ben gebleven en het boek nog niet uit had, mocht ik het nog even houden. Het regent nog steeds, dus de hele familie zit binnen in de tent.
“Kom erbij, wil je koffie of iets anders?”
“Nou eh... ik heb mijn spullen nog in de recreatieruimte staan, waaronder mijn stuurtas met waardevolle spullen. Ik loop liever gelijk terug.”
Ik doe mijzelf verbazen! Nu ik weet dat ik naar huis ga, ben ik ook weer gelijk de ‘Gea van thuis’, die liever ’s avonds alleen thuis zit, in plaats van de ‘sociale Gea op fietsvakantie’, die dan zo’n aanbod nooit zal afslaan. Ik loop terug en heb spijt. Ach wat maakt het uit, ik zie hen toch nooit meer, ze zijn me vast morgen of anders overmorgen al weer vergeten.
Dag 14, donderdag 23 juli, Gummarp – Nässjö
Afstand: 60 km op de fiets en 5 km lopen
Weer: ’s morgens heet en broeierig, ‘s middag regen
Route
Eigen route
Gummarp, Östraby, Hult, Ägersgöl, Bötteryd, Eksjö, Nässjö
Het stinkt in mijn voortentje, maar ik zie niets geks. Als ik de buitentent heb weggehaald, valt mijn oog op een hoopje modder. Hoe komt dat daar in vredesnaam? Ik ruik en constateer dat het poep is. Maar waarvan? Wie of wat is er vannacht in mijn voortent geweest?
“Een slang”, zeg de campingeigenaresse. “Echt??” vraag ik onnozel. Ik heb er al een paar gezien deze vakantie. Eén keer lag er één midden op de weg, die was wel een meter lang. Ik zag hem te laat, of beter gezegd: ik zal te laat dat het een slang was, en het beest kon ternauwernood ontsnappen aan mijn wielen door heel hard weg te ‘kronkelen’.
Goh, dus ik heb een slang in mijn tent gehad... maar goed dat ik dat niet wist vannacht.
De Kloof van Skurugata is een 'canyon' van 50 meter diep en 550 meter lang en staat duidelijk op mijn kaart. Zo ook de weg er naar toe, maar toch twijfel ik als de asfaltweg opeens overgaat in een zandweg. Ik heb goede kaarten die ook heel duidelijk aangeven of het asfalt is of niet, maar een zandweg stond er niet op.
Ik fiets door, maar het wordt steeds zwaarder doordat de weg ook nog eens omhoog gaat. Ook moet ik af en toe mijn bagagedrager weer omhoog trekken. De weg wordt smaller en heeft steeds meer zijweggetjes. Ik heb geen idee of dit goed komt. Als ik iemand tegen kom vraag ik de weg naar de canyon. “Rechtdoor en dan naar links”. Waar naar links? Ik blijf rechtdoor fietsen in de hoop dat de canyon wellicht wel aangegeven wordt. Gelukkig is dat het geval en even later kom ik op een grote parkeerplaats. Hier moet ik mijn fiets achterlaten om vervolgens het laatste stuk te lopen.
Ik denk dat je verder kan wandelen en dan uiteindelijk wel weer bij de parkeerplaats zal uitkomen, maar zeker weten doe ik het niet. Ook heb ik geen idee hoe lang ik dan onderweg ben.
Ik besluit terug te lopen. Ook omdat ik niet weet of mijn schoeisel het aankan. Ik heb namelijk sandalen aan (de enige schoenen die ik bij me heb) en toe nu toe ging het net. Ik heb slechte grip, dus het is wel uitkijken geblazen.
Volgens mijn reisgids moet er in de buurt ook nog een 337 meter hoge berg zijn met een prachtig uitzicht op de kloof. Ik zie hem niet op de kaart, maar ik moet eerlijk toegeven dat ik weinig zin heb om ook nog een berg te beklimmen. Al dan niet op de fiets.
Aan het begin van de middag kom ik in Eksjö aan. Tot nu toe vond ik de Zweedse dorpen en stadjes niet zo interessant, althans, als je ze vergelijkt met die van Denemarken, maar hier is het mooi. Waarschijnlijk vanwege het oude centrum met houten huizen.
Eigenlijk heb ik het voor vandaag wel gehad. Ik ben moe en het begint te regenen. Om die redenen is kamperen nu ook minder aantrekkelijk en dus ga ik op zoek naar een jeugdherberg.
De handigste manier om er een te vinden is via het toeristenbureau, maar ik krijg te horen dat de jeugherberg vol is vanwege een nationaal sportevenement in de stad.
Er is ook een hotel, maar €70,- voor één nacht gaat me echt te ver.
Ik besluit dan toch maar om door te gaan naar naar Nässjö, daar is ook een jeugdherberg en geen nationaal sportevenement. De meneer van het toeristenbureau biedt aan om er even naar toe te bellen en te reserveren. Voor de zekerheid. Ik hou er helemaal niet van om iets vast te leggen, maar wil ik verzekerd zijn van een plek om te overnachten, dan is dit misschien toch wel handig.
Inmiddels is het harder gaan regenen en ik heb geen zin om twintig kilometer over de “33” (ja, dezelfde als die tussen Mariannelund en Vimmerby) te fietsen. Een kortere weg is er niet, of ik zou ontzettend om moeten fietsen.
Ik ga met de trein! Laat ik het advies van de campingeigenaresse opvolgen en gewoon als naïeve toerist met de fiets in de trein te stappen. Ik kom aan op het station en zoek het loket om een kaartje te kopen. Dat blijkt er niet te zijn: je moet in de trein een kaartje kopen. Als snel heb ik het juiste perron gevonden en de trein staat al klaar. Op het tijdschema zie ik dat hij ook elk moment kan vertrekken. Dat komt mooi uit. Het is maar één treinstel met twee deuren, die gesloten blijken te zijn. Maar hoe ik ook duw en trek, de deur gaat niet open. Wat gek.
Dan komt er iemand uit de andere deur, hij ziet er uit als een machinist. “Ik rij vandaag niet, er wordt aan het spoor gewerkt.” (Wat deed hij dan in vredesnaam in die trein??)
“Hoe kom in dan in Nässjö?”, vraag ik.
De man wijst naar een bus. “Met die bus, maar dan moet je snel zijn.”
Het lijkt of hij helemaal mijn fiets niet ziet. De bus rijdt weg als ik aanstalten maak er naar toe te lopen.
“Over twee uur gaat de volgende”, deelt de machinist mij mee.
“Maar mag de fiets dan ook mee?” vraag ik toch maar voor de zekerheid.
Hij kijkt nu naar mijn fiets alsof die er eerder niet stond. “Nee, er kunnen geen fietsen mee in bus, die moet je dan hier achterlaten.”
Ja, ja. Ik weet genoeg, het wordt dus fietsen naar Nässjö.
Ik kom uiteindelijk doodmoe en kletsnat in Nässjö aan. De jeugherberg staat op een kampeerterrein en ik ga op zoek naar de receptie. Ik word al verwacht en de aardige jongeman achter de balie die mijn zwaarbeladen fiets ziet, vraagt waar ik allemaal al geweest ben en naar toe ga. Als ik hem vertel over de fietspech en dat ik van plan ben met de trein naar huis te gaan, gaat hij gelijk voor me op zoek naar treintijden en prijzen. Als hij op internet niets kan vinden over de fiets in de trein, pakt hij zijn mobiele telefoon. Toetst het nummer van de Zweedse Spoorwegen en geeft z’n telefoon aan mij. “Je kunt ze het beste zelf te woord staan.”
Ik begrijp al gauw dat ik door een heel keuzemenu wordt geleid, maar omdat mijn Zweeds nog niet zoveel beter is geworden de afgelopen twee weken, begrijp ik er niets van.
“Sorry...”, zeg ik tegen de jongen en geef hem zijn telefoon weer terug. “Ik begrijp er niets van”.
Dan probeert de jongen het, maar al gauw legt hij op. “Ze zijn al gesloten. Je kunt beter morgen maar even naar het station fietsen en daar vragen.”
De overnachting hier kost evenveel als een plaatsje op de camping en daar ben ik blij om, want ik heb ondertussen in Zweden al veel meer uitgegeven dan begroot.
Halverwege de avond, ik lig net in bed een boek te lezen, gaat het brandalarm. Het heeft op mij niet het effect wat het zou moeten hebben: ik bedenk dat ik niet in mijn nachtkledij gezien wil worden en kleed me heel rustig aan. Ik had ook in bed kunnen blijven liggen, maar ik ben gewoon nieuwsgierig naar wat er aan de hand is. Volgens mij moet je in zo’n situatie in paniek naar buiten rennen, maar dat komt niet in me op. In de gang is het een vreselijk lawaai. Om dat te ontvluchten wil ik weer mijn kamer in, maar bedenk dat zoiets niet de bedoeling is van een brandalarm. Ik loop naar de centrale hal en ga naar buiten. Daar hebben zich ondertussen alle gasten al verzameld, maar niemand weet wat er aan de hand is.
Dan komt de brandweer er aan en al snel is het alarm uitgeschakeld. Er blijkt iemand een sigaret te hebben opgestoken in een slaapkamer. Ik wil weer naar binnen, maar word tegengehouden. Ze hebben alles nog niet onder controle en we moeten wachten op het sein ‘gebouw veilig’.
Na een uur lig ik pas weer in bed. Waarschijnlijk is dit mijn laatste nacht in Zweden...
Dag 15 en 16, vrijdag 24 juli en zaterdag 25 juli, Nässjö
“Rustdagen”
Afstand: 32 km
Weer: zon
De jeugdherberg ligt net buiten de stad en ik fiets al vroeg in de ochtend richting Nässjö. Het is behoorlijk klimmen en dalen, maar gelukkig is het niet zo ver.
Ik leg mijn situatie uit aan de loketbeamte op het station die me bedenkelijk aankijkt.
“De ticket omboeken, kan ik niet voor je doen. Dat kan sowieso niet want hij is in het buitenland gekocht.”
Buitenland? Oh ja, natuurlijk, voor hem is Nederland buitenland.
“Je kan het in Denemarken proberen, maar ik geef je weinig kans.”
“Doet u me dan maar een ticket naar Kopenhagen, dan zie ik daar wel verder.” Als blijkt dat ik in Kopenhagen toch niet mijn ticket kan omboeken, dan blijf ik gewoon in Denemarken.
De man tikt wat op zijn toetsenbord en kijkt steeds bedenkelijker.
“Met fiets, toch?”, vraagt hij nog eens.
Ik wil bijna vragen of hij de fiets niet van me wil kopen, maar ik hou me in.
“Dan is zondagmiddag de eerste mogelijkheid”.
“Zondag pas??” Het is nu vrijdagochtend.
“Er rijden eerder geen treinen waar je fiets in mee mag nemen.”
Ik denk even na, maar besluit dan toch een ticket te kopen. Ik slik even vanwege de prijs en die blijkt ook nog exclusief de fietsticket te zijn.
“Die moet je in de trein kopen, maar is niet duur.”
Ik krijg van hem twee tickets. Ik moet van Nässjö naar Alvesta met een regionale trein en in Alvesta moet ik overstappen op de internationale trein naar Kopenhagen. Een fietsticket voor de regionale trein kost omgerekend drie euro. Dat valt me erg mee. Maar voor de internationale trein weet de beambte het niet.
Gewapend met kaartjes loop ik het station uit. Wat moet ik nou een heel weekend in Nässjö? Plotseling bedenk ik iets en loop terug.
“Wat kost een kaartje naar Stockholm?”
Ik word verbaasd aangekeken. “Stockholm?”, vraagt dezelfde meneer.
“Ja, als ik toch tot zondag moet blijven, zou ik misschien morgen een dagje naar Stockholm kunnen gaan.”
“Dat is wel twee en een half uur met de trein. Je zou dan maar een paar uurtjes in Stockholm kunnen zijn. Ik raad het je af, Stockholm is een prachtige stad, die moet je niet in een paar uurtjes bezoeken. Daar moet je echt een paar dagen voor uittrekken. Het weer ziet er trouwens ook niet zo mooi uit voor morgen...”
Als hij dan ook nog eens de prijs noemt, ben ik om. Dat wordt dan een weekendje Nässjö.
Ik fiets weer terug naar de camping en vraag aan dezelfde jongen van gisteren of ik nog tot zondag in de jeugdherberg kan blijven. Dit blijkt geen probleem.
Nou eerst maar eens kijken of ik nog iets aan mijn fiets kan doen. Om de vijf kilometer een bagagedrager omhoog tillen is niet leuk en bovendien zal mijn nieuwe buitenband ook snel versleten zijn.
Ik schroef het hele achterspatbord er af dat onder aan de bagedrager zit. De grote boosdoener. Even uitleggen: Zo’n vier centimeter onder mijn bagagedrager zitten twee stangetjes overdwars. Hier zit het spatbord onder geschroefd. Als ik het spatbord nou òp de twee stangetjes vastmaak, dan heeft het wiel alle ruimte om rond te draaien, zonder aan te lopen. De schroeven zijn nu veel te kort, maar met touw en tape zal ik een heel eind komen. Ik wil juist touw uit mijn kamer halen (ik heb altijd een bolletje touw mee...) als er een oude man, die met z’n vrouw hier ook logeert, komt kijken wat ik aan het doen ben.
“Ik heb nog wel een stuk touw”, zegt de man.
“Oh dank u, maar ik heb zelf ook touw bij me. En tape...”
Maar de man is al onderweg en komt even later terug met een stuk touw. Er zijn van die mensen die per se willen helpen, ongeacht of dat nou nodig is of niet. Deze meneer is zo’n iemand. Hij gaat me helemaal vertellen hoe ik dat het beste vast kan maken en als het aan hem lag, had hij het me ook nog uit handen genomen om het zelf te doen.
Even later zit alles stevig vast. Eigenlijk zijn alle euvels nu opgelost: het wiel raakt het spatbord niet meer en de band, die daardoor versleet en zo lekke banden veroorzaakte, is vervangen.
Dus...
Theorethisch zou ik nu gewoon mijn reis kunnen vervolgen. Niets meer aan de hand, fiets in orde. Maar toch vertrouw ik ‘m niet meer en durf er geen lange tochten meer mee te fietsen. Nee, mijn besluit om naar huis te gaan is goed. Dit weekend maken we er nog wat van en dan zal ik in Kopenhagen eens kijken hoe ik het snelst naar huis kan.
’s Middags fiets ik weer terug naar Nässjö. Ik ben van plan om het Tourist Office op de zoeken om te kijken of er dit weekend nog iets leuks te doen is in de stad. Ook wil ik naar de bibliotheek om een e-mail te schrijven naar het thuisfront.
Er blijkt niet veel te doen het weekend, alleen een braderie zaterdag. Ik krijg een folder mee over de stad, met daarin een plattegrond. Dat is natuurlijk altijd handig, en zo weet ik ook snel de bibliotheek te vinden.
En dan lees ik een e-mail die mijn plannen eensklaps doet veranderen. De mail is van Jørgen Bjerring uit Magtebølle (Funen, Denemarken). Vorig jaar heb ik bij hem en zijn vrouw op de hooizolder ‘gekampeerd’ en dit jaar was ik van plan er weer naar toe te gaan, één of twee dagen voor mijn (oorspronkelijke) vertrek naar huis.
Jørgen mailt dat hij een soort persbericht heeft gestuurd naar de Funense toeristenbureaus. met de mededeling dat er begin augustus een Nederlandse ‘fietstoeriste’ in Funen aankomt die waarschijnlijk meer van Denemarken heeft gezien dan menig Deen. Mocht men geïnteresseerd zijn in mijn verhaal, dan kan men contact met Jørgen opnemen.
Jørgens zelf is voorzitter van de Deense fietsersbond, afdeling Funen (Dansk Cyklist Forbund, Højfynsafdeling) en bekend in de toeristenbranche. Hij verontschuldigt zich wel meteen bij mij dat hij wellicht wat vrijpostig is, maar als ik het niet wil, is het ook geen probleem. Hij verwacht eigenlijk dat eventueel contact mij gratis toegang tot musea en veerboten oplevert, in ruil voor reclame en eventueel vermelding op mijn website.
Tuurlijk wil ik wel! Ik ben bang dat Jørgen mij te veel kennis toegedicht heeft, maar voor een nieuw avontuur ben ik altijd in.
Ik mail hem terug en vertel over hoe de afgelopen twee weken zijn verlopen en dat ik eigenlijk naar huis had gewild. Maar omdat ik waarschijnlijk toch mijn ticket niet kan omboeken, ben ik ‘gedoemd’ tot Denemarken in de resterende twee weken, maar dat is nou niet bepaald een straf. Afhankelijk hoe mijn fiets zich gedraagt, zou ik op m’n gemakje door Sjælland naar Funen kunnen fietsen, en mochten zich er weer problemen voordoen, dan kan ik er rechtstreeks met de trein naar toe en eventueel op Jørgens ‘camping’ kamperen. (In Denemarken zijn ± 800 adressen waar je gratis of tegen een kleine vergoeding kan kamperen. Jørgen’s tuin is daar één van, zie Overnatning i det fri.
Vrolijk fiets ik aan het eind van de middag terug naar de jeugdherberg. Op naar Denemarken!