Jullie kennen vast allemaal die elandenborden wel. En iedereen die wel eens in Zweden is geweest zal dit vast beamen: zodra je zo’n bord ziet, is er in geen velden of wegen een eland te bekennen. Hoe je ook om je heen kijkt, je wordt altijd weer blij gemaakt met een dode mus, maar nooit met een levende eland. Ik heb ze heus wel gezien hoor, elanden, maar dat was op plekken waar geen borden stonden. Dus… conclusie: die borden zijn er voor de elanden zelf! Zodra zij zo’n bord zien, weten ze dat daar ver vandaan moeten blijven.
En dat hetzelfde geldt voor:
Spelende gepensioneerden:
Loslopend dieren, een verwarde oude man & een oude vrouw die ook niet goed wijs is:
Vrolijke muizenjagers zonder verkeersinzicht:
Spelende kinderen, dieren en boze oude vrouwen:
Robotgrasmaaiers:
Want zeg nou zelf, heb jij hen ooit gezien voorbij zo’n bord?? Nee hè? Ik ook niet!
Die laatste weten overigens donders goed hoe je iemand die er niet op bedacht is, moet aanvallen! Dat zit nog vers in mijn geheugen… (zie: hier, derde alinea)
Afijn, tot zover de borden. Er valt een heleboel meer te zien als je zo dwars door Zweden fietst. Zie de foto’s hieronder: eindeloze bossen, heel veel meren en rode huizen. Ik fiets een heel groot deel door Dalarna en de rode kleur, Falunrood, van de huizen vindt daar zijn oorsprong. Al in de dertiende eeuw wonnen de inwoners pigment uit afvalerts uit de kopermijnen bij de stad Falun. Later gebruikten ze deze grondstof in de verf waar ze hun huizen mee schilderen. De rode glans komt doordat ze het fijngemalen afvalerts brandden. Dit mengden ze vervolgens met andere verfbestanddelen. Meer hierover kun je lezen in een interessant artikel op de website Take me to Sweden.
Ik tref het enorm met het weer. Het hete weer is voorbij en het heeft inmiddels een paar keer flink geregend. Maar over het algemeen is het zonnig en (lekker) warm.
Ik kreeg een tip voor een wildkampeerplek. “Aan de rand van dat kleine dorp is een strandje, daar kun je prachtig kamperen. Ik heb er ook wel eens gestaan”, aldus een Zweedse fietser die ik tegen kwam. Aangekomen bij het betreffende strandje, bleek het absoluut een mooie plek. Een strand, een steiger waar vanaf je zo het meer in kon duiken, picknicktafels… En aan de rand van het dorp. Of eigenlijk: nog net in het dorp. Ik zou daar in het zicht staan van minstens drie huizen. Het was al bijna acht uur en ik had al veel verder gefietst dan de bedoeling was. En dan ik aankon, want de koek was helemaal op. Hier kon ik niet staan natuurlijk! Ik besloot eerst maar eens te eten en dan toch verder te fietsen.
“Ga je hier kamperen?” Een paar dorpsbewoners hadden net gezwommen en kwamen het water uit.
“Het was me inderdaad aangeraden, maar ik zie dat het hier niet kan, in het zicht van het halve dorp” (ja echt, het halve dorp. Het dorp had zes huizen).
“Maar natuurlijk kan je je tent hier neer zetten! Er wordt hier vaker gekampeerd. Geen probleem hoor!”
Tja, als ‘het dorp’ het zelf goed vindt, waarom dan niet?
En zo had ik een prachtplek, onder een afdak, zodat m’n tent ook droog zou blijven.
’s Avonds zat ik lange tijd in kleermakerszit op de steiger. Te genieten van de ondergaande zon. En van de vriendelijkheid van dit prachtige land.
P.s. 1 Ik ben bijna in Sundsvall. Dan fiets ik in ongeveer een week weer terug naar de auto die halverwege de route staat.
P.s. 2 Op 21 juli werd ik in Zweden, vanuit Italië, geïnterviewd voor een podcast (in het Nederlands) Je kan deze hier beluisteren (1e kwartier): St. Olav spoort verder in Zweden